zondag 27 oktober 2013

Gerard ter Borgh, schilder uit Zwolle

Hallo ge-interesseerde blogvolgers,

Begin september ben ik samen met mijn vriend uit Groningen op de Open Monumenten Dag in Zwolle geweest. Daar heb ik op 4 oktober 2013 over geblogd. Daarin vertelde ik al dat ik in de Grote of Sint Michaelskerk de grafsteen van de bekende 17-e eeuwse schilder Gerard ter Borgh had gezien en gefotografeerd. Als u zijn grafsteen ook wilt zien, moet u na binnenkomst in de Grote Kerk via het portaal, direct naar links gaan. Daar ziet u het rechtopstaand in de muur ingemetseld. Dat kunt u zien op foto 1 en 2 in dit blogbericht. Gerard ter Borgh was een van de zeer vele schilders uit de Gouden Eeuw van de toenmalige Republiek der 7 Provincien. Hij stamde uit een Zwolse schildersfamilie en leefde van december 1617 tot december 1681.
Het gezin Ter Borgh woonde in een fraai pand in de Sassenstraat, gelegen achter het koor van de Grote of Sint Michaelskerk. Dat pand kunt u zien op foto 3. Op het linker raam in de gevel van het pand is een tekst te lezen over de familie Ter Borgh die er gewoond heeft. Hij leerde het schildersvak van zijn vader (een hoge ambtenaar in het toenmalige stadsbestuur), evenals zijn broers Moses en Herman en zijn zus Gesina. Met zijn broer Moses ter Borgh is het niet goed afgelopen. Hij trad in dienst bij de Hollandse marine en kwam in 1667 om, gedurende de Tweede Engelse oorlog, tijdens de beroemde en succesvolle Tocht naar Chatham.




Gerard ter Borgh heeft vele schilderijen gemaakt. Maar wat mij betreft is er in ieder geval 1 schilderij van hem van zeer groot nationaal belang: de vredesconferentie tussen Holland en Spanje te Munster in 1648. Dat ziet u hier onder op afbeelding 4. Die heb ik overgenomen uit de Wikipedia; daarin vindt u meer informatie over de Vrede van Munster. Op het schilderij zelf staan alle onderhandelaars uit Spanje en Nederland bij elkaar rond een tafel gedekt met een donkergroen tafellaken met daarop twee kistjes waarin de documenten van het Vredesverdrag tussen Holland (eigenlijk: de Republiek) en Spanje worden bewaard. Met dat vredesverdrag kwam er een eind aan de 80-jarige oorlog tussen de opstandige Nederlandse gewesten en provincies enerzijds en Spanje anderzijds. Daarmee werd tevens Nederland erkend als zelfstandig en soeverein land, dat hiermee onafhankelijk werd van Spanje, en tevens afgescheiden werd van het Duitse Reich. Met dit schilderij fungeerde Gerard ter Borgh meer als een 17-e eeuws soort fotojournalist dan als een kunstschilder. Dat is een tegenwoordig volstrekt vergeten maar belangrijk detail dat toen voor vrijwel alle schilders gold. Ze waren toen niet zozeer kunstzinnige schilders, als wel ambachtelijk zeer doorkneed in het zo levensecht afbeelden van personen, gebeurtenissen, landschappen en dergelijke. De fotografie werd pas rond 1840 uitgevonden. Pas daarna konden schilders zich heel creatief kunstzinnig op het witte doek uitleven en uitgroeien tot kunstschilders volgens de definitie zoals die tegenwoordig wordt gehanteerd.


Overigens: Hitler en de zijnen vonden dat vredesverdrag van Munster uit 1648 een historische fout en wilden dat in mei 1940 terugdraaien door Nederland onder het motto "Heim ins Reich"  weer aan het Duitse Reich toe te voegen. Ze zagen ons Nederlanders zelfs als een Germaans broedervolk. Vandaar dat Nederland een zeer licht bezettingsregiem kreeg opgelegd. Pas in later jaren werd dat steeds drukkender met als dieptepunt de Hongerwinter. De Nazi's hebben indertijd niet willen begrijpen dat die koppige Nederlanders dat vredesverdrag uit 1648 helemaal niet als een fout zagen en volstrekt niet gediend waren van de Duitse aanwezigheid gedurende de periode 1940-1945.

Dat de Nederlandse opstanden in 1566 (beter bekend als de Beeldenstorm) en in 1572 (toen de Watergeuzen Den Briel veroverden, waarna de ene stad na de andere stad overging van Spaans naar Staats) uiteindelijk zou uitlopen op een 80 jaar lang durende oorlog, had niemand toendertijd voorzien. Wel sloten de opstandige gewesten in 1579 een verdrag in Utrecht waarin ze onderling gezamenlijk afspraken maakten over verdediging, bestuur, financien en geloof. Dat is bekend geworden als de Unie van Utrecht. In 1979 is dat feit op de toenmalige rijksdaalders herdacht. In 1979 waren het reguliere betalingsmiddelen, maar nu - na de invoering van de Euro-munt in 2002 - vind je dergelijke munten alleen nog in muntenverzamelingen. In 1581 vond de daadwerkelijke onafhankelijkheidsverklaring van de opstandige Nederlandse gewesten plaats met het Placcaet van Verlatinghe. Pas met de Vrede van Munster in 1648 erkende Spanje eindelijk die onafhankelijkheid. Deze 3 documenten tesamen zou je kunnen zien als de geboorteakte van het huidige Nederland.
Ik vind het zeer merkwaardig dat dit alles zo ontzettend weinig aandacht krijgt in Nederland. Alleen in 1998 werd er landelijk enige aandacht aan geschonken omdat het toen precies 350 jaar geleden was. In Duitsland ook, maar dat had te maken met het feit dat in 1648 in Osnabruck een vredesverdrag werd getekend waarbij de 30-jarige oorlog die van 1618 tot 1648 in Duitsland woedde, werd be-eindigd. Beide vredesverdragen (Osnabruck en Munster) staan in Duitsland bekend als de Westfaalse vredesverdragen.
En er was ook een verschil tussen de partners die de beide vredesverdragen tekenden. In het geval van de Vrede van Munster was er duidelijk sprake van een winnaar (Holland, eigenlijk: de Republiek) en een verliezer (Spanje), terwijl er in het geval van de Vrede van Osnabruck er alleen maar verliezers waren (de honderden Duitse ministaatjes, maar vooral de Duitse Keizer) en nauwelijks winnaars. Maar tientallen jaren later bleek wie de echte winnaar was: koning Lodewijk XIV van Frankrijk. Hij zag zijn kans schoon om te intrigeren in het Duitse Reich en al die Duitse ministaatjes tegen elkaar uit te spelen en zo zijn Franse grondgebied stukje bij beetje uit te breiden (Elzass-Lotharingen!), tot dat er diverse oorlogen van kwamen, zoals onder andere in 1672 (ons rampjaar) en uiteindelijk de Spaanse successie-oorlog (1701-1713). Daarover heb ik al eerder geblogd, namelijk op 4 september 2013 onder de titel: Opnieuw Utrecht, tentoonstelling over de Vrede van Utrecht 1713.

zondag 20 oktober 2013

Kort weekje Rotterdam in september 2013

Hallo bloglezers,

Eind september ben ik weer eens een kort weekje naar Rotterdam geweest. In april eerder dit jaar was ik ook al een lang weekend in Rotterdam geweest. Daarover heb ik geblogd op 1 mei 2013. Waarom ik in september weer naar Rotterdam ging? Op 26 september werd in de wijk Rotterdam-IJsselmonde, achter het winkelcentrum Keizerswaard een Historische Markt gehouden, georganiseerd door verschillende plaatselijke historische verenigingen en de plaatselijke afdeling van de landelijke NGV (= Nederlandse Genealogische Vereniging). Op foto 1 in dit rijk ge-illustreerde blogbericht ziet u de kraampjes van die Historische Markt. Daar heb ik veel interessante boeken gekocht over Rotterdam-Zuid, Charlois, en de dorpen IJsselmonde en Ridderkerk. Verder ontmoette ik daar geheel toevallig iemand die in de verte familie aan mijn moederskant bleek te zijn. Dat leidde dus tot een enthousiast gesprek. Bij nadere beschouwing vond ik deze markt wel wat aan de kleine kant. Voor zover ik dergelijke historische en genealogische markten in Leeuwarden en elders in het noorden van Nederland heb meegemaakt, die in samenwerking met plaatselijke archieven en historische verenigingen en de plaatselijke afdelingen van de NGV (Fries, Gronings of Drents) waren georganiseerd, waren die veel groter van opzet en stonden er veel meer kramen en stands dan op deze Historische Markt in Rotterdam-IJsselmonde. Maar dat verder terzijde. Toen ik een week later weer thuisgekomen was, heb ik een aantal van die gekochte boeken aan mijn ouders te lezen gegeven. Zij vonden het prachtig. Voor hen stonden die boeken vol met foto's van bekende plekken, die zij nog uit hun jeugd kenden. Voor mij trouwens ook.


Na afloop van de Historische Markt heb ik nog een rit per tram naar Charlois gemaakt. Om precies te zijn: naar de Boergoense Vliet. Daar staat de Bethelkerk, die u hieronder ziet op foto 2, en waar mijn moeder in de jaren 40 en 50 vaak heeft gekerkt. Curieus is dat deze kerk is gebouwd door de architect Tjeerd Kuipers, de overgrootvader van mijn vriend met wie ik kort hiervoor in Zwolle op de Open Monumenten Dag (zie hier direct onder dit blogbericht , blogdatum: 4 oktober 2013) ben geweest. Daar staat hij op de foto die ik in Zwolle in de Waalse Kerk heb gemaakt.
Terug naar Rotterdam-Charlois: Vervolgens liep ik de Frans Bekkersstraat in. Daar zijn in de jaren 30 en 70 archeologische opgravingen geweest naar de fundamenten van een Middeleeuwse donjon die daar voor 1373 heeft gestaan. Om de plek aan te geven waar die vierkante woontoren tot aan de overstroming van de Riederwaard in 1373 heeft gestaan, is met afwijkend formaat en anders gekleurde stenen in het wegdek een groot vierkant in het wegdek gelegd, wat te zien is op foto 3.



De dag daarna nam ik de tram naar de noordoever. Daar bezocht ik het Belastingmuseum. Nooit leuk om te moeten betalen, maar wel interessant om de geschiedenis rond dit onderwerp te bekijken. Ook omdat rond 1566-1572 de beruchte Spaanse landvoogd Alva een aantal nieuwe belastingmaatregelen probeerde in te voeren in de Nederlanden. Daarin faalde de Spaanse onderdrukker volledig. De Vlamingen, Brabanders en Hollanders saboteerden die belastingplannen zo grondig dat er niets van de invoering terecht kwam. Bovendien was het een van de redenen (naast de godsdienstige en bestuurlijke redenen) waardoor de opstand uitbrak en uiteindelijk tot de 80-jarige oorlog leidde. Dat werd uitgelegd en getoond in een paar vitrines met oude munten, documenten en schilderijen.
Op de zolderetage was een tijdelijke tentoonstelling ingericht met kleding, smokkelkleding om precies te zijn. Ik vond het heel opvallend dat dat vooral veel dameskleding was. Dat waren zeker  kleren van zeer fatsoenlijk geklede dames die niet gediend waren van handtastelijk gefouilleer. Jaja. Anders hadden die douaniers al die verborgen zakjes op al die onderkleding kunnen vinden.
In een andere zaal in een andere vitrine waren fietsplaatjes tentoongesteld. Van 1924 tot 1941 moest men in Nederland belasting voor zijn fiets betalen. De regering beschouwde zo'n vervoermiddel namelijk als luxe. Jaja. Maak dat al die arbeiders maar eens duidelijk, die per fiets door weer en wind naar hun werk gingen. Bovendien hakte deze belasting diep in in het inkomen van al die laagbetaalde arbeiders. Geen wonder dat het een zeer gehate belasting was. Ik zag in diezelfde vitrine ook een fietsplaatje in een leren etui, zoals te zien is op foto 4. Die kon je zo aan je stuur hangen. Dat stond indertijd bekend als de Colijnsorde, genoemd naar de gehate minister Hendrikus Colijn die deze niet minder gehate belasting had ingevoerd. Zoals u ook op foto 4 ziet, was dit fietsplaatje (let op het gaatje!) van een werkloze. En als je in de jaren 30 werkloos was, werd je daar heel lelijk op aangekeken; alsof het je eigen schuld was dat je werkloos was geworden en het dus niet aan de toenmalige crisis van de jaren 30 lag. En de toenmalige werklozenuitkering werd door de toenmalige overheid gezien als een gunst waar je dankbaar voor moest zijn, ook al verrekte je van de armoede. Het was beslist geen recht, zoals tegenwoordig. Dank zij de Duitse bezetter is die fietsbelasting in 1941 afgeschaft. Hadden die Duitsers toch nog iets goeds gedaan.


Voorafgaand aan mijn bezoek aan het Belastingmuseum wandelde ik eerst rond de Veerhaven naar de Maaskade waar ik genoot van het weidse uitzicht over de rivier de Nieuwe Maas en de Wilhelminakade aan de overkant. Daar maakte ik foto 5. Daar aan de overkant staat nog altijd het kantoorgebouw van de HAL (= Holland Amerika Lijn) met zijn groene torentjes, waar nu Hotel New York in zit. Verderop lag aan de Wilhelminakade een reusachtig groot hoekig passagiersschip, namelijk de Crown Princess, geregistreerd in de plaats Hamilton, de hoofdstad van het eiland Bermuda. Dit cruiseschip is in 2006 in de vaart gekomen.  Het is 290 meter lang en heeft een capaciteit voor circa 3080 passagiers. Ik vind het geen mooi schip; veel te hoekig. Daarnaast is het - gezien het grote aantal passagiers - net een drijvende stad. Over dat onderwerp heb ik enkele jaren geleden al eens geblogd op 16 april 2010 onder de titel: passagiersschip als een drijvende stad.
Tot in de jaren 60 van de vorige eeuw vertrokken van de Wilhelminakade de emigrantenschepen naar Amerika en sinds de jaren 70 de cruiseschepen - zoals o.a. de Nieuw Amsterdam en de Rotterdam - voor toeristische vaartochten langs de landen rond de Noordzee.


Na mijn bezoek aan het Belastingmuseum reisde ik per tram en metro naar Delfshaven. Maar daar bezocht ik niet het zeer bekende historische deel aan de zuidkant van de Schiedamseweg, maar de saaie woonwijk aan de noordkant. Nadat ik een paar straten was doorgelopen, kwam ik uit op een marktplein waar typische jaren-50 flats omheen stonden. Verderop lag een park waar een stuk of wat mensen (verreweg de meesten allochtonen) wandelden en waar veel kinderen in de speelplaats midden in het park speelden. Maar dat had mijn interesse ook niet. Ik was ge-interesseerd in het monument direct bij de ingang van het park, wat u ziet op foto 6. Daar lagen een paar grote verroeste cijfers in 3 hoopjes bij elkaar gegooid: 31-3-1943. Inderdaad: de oorlog is niet ver weg in Rotterdam. Hier had de woonwijk gestaan die op 31 maart 1943 werd gebombardeerd door Amerikaanse bommenwerpers, en dat nadien bekend werd als het Vergeten Bombardement. Eigenlijk waren de bommen voor het havengebied verderop tussen Rotterdam-Delfshaven en Schiedam bedoeld, maar de bommenwerpers lieten de bommen net te laat los, waardoor ze op de woonwijk vielen. Gevolg: rond 325 doden en circa 400 gewonden en ongeveer 16.500 daklozen. Alsof Rotterdam nog niet vaak genoeg was gebombardeerd. De Duitsers wisten wel raad met zo'n Geallieerde blunder. Die hingen overal posters op vol vallende bommen met daarbij de tekst: Van je vrienden moet je het maar hebben! Vandaar dat er een aantal naoorlogse flats uit de jaren 50 rond dat marktplein staan. En vandaar de naam van dat park: Park 1943.


Daarna stapte ik weer in op de metro en maakte een enorme rit via Schiedam, Pernis, Rhoon en Zuidplein naar het metrostation Maashaven. Dat is het hoogste metrostation van het hele metronetwerk van Rotterdam. Overigens valt het in het niet bij de reusachtige graansilo ernaast, zoals u kunt zien op foto 7. Vandaar wandelde ik over de Putselaan naar het Afrikaanderplein. Daar is de bekende voetbalclub Feyenoord in 1908 begonnen. Onderweg passeerde ik op de Putselaan de Oranjeschool waar mijn vader als kind op heeft gezeten. Bij het Afrikaanderplein aangekomen nam ik de tram terug.



De volgende dag stapte ik op de bus en reed weer naar het winkelcentrum Keizerswaard (waar ik hierboven al over vertelde in verband met die Historische Markt). Nadat ik daar was uitgestapt wandelde ik door de woonwijken naar het oude dorp IJsselmonde, gelegen aan de dijk langs de rivier. Ik genoot van het uitzicht op de rivier, de overkant, en de Van Brienenoordbrug en maakte veel foto's van het weidse panorama. Op foto 8 hierboven ziet u de enorme boog van de Brienenoordbrug, met daar onderdoor in de verte de kantoortorens in het centrum van Rotterdam. Daarna liep ik het dorp in, naar de Adriaen Janszkerk. Dat is een oude laat-Middeleeuwse kerk die in 1467 tot parochiekerk is verheven en die sinds de jaren 1970 de naam draagt van de laatste Katholieke pastoor die rond 1567 tevens de eerste Protestantse dominee in IJsselmonde was geworden. Omdat hij steeds meer was opgeschoven van Katholiek naar Protestants, werd hij in 1567 gearresteerd door de Spanjaarden en in 1570 na een proces ter dood veroordeeld. Adriaen Jansz werd tesamen met 3 andere pastoors in Den Haag eerst gewurgd aan de worgpaal waarna hun lijken werden verbrand. Terug naar het heden. Ik liep om het kerkgebouw heen en fotografeerde het aan de buitenkant. Op foto 9 hieronder ziet u de kerk vanuit het oosten met uitzicht op het koor. Direct westelijk van deze kerk heeft tot 1901 het kasteel van IJsselmonde gestaan. In 1901 heeft de laatste kasteelheer Cornelis Johan Adriaan Bichon het kasteel laten slopen na een gewonnen rechtszaak, waarna hij IJsselmonde verliet om nooit meer terug te keren. Helemaal rechts van de kerk op foto 9 hieronder, tussen de boomstammetjes door, hebt u uitzicht op de met gras begroeide helling van een dijkweg. Ongeveer daar heeft het kasteel van IJsselmonde gestaan. Mijn vader herinnert zich dat hij als kind de fundamenten van het gesloopte kasteel nog heeft gezien. Bij dat kasteel hoorde ook een grote tuin. Die werd in de jaren 30 en 40 door de familie Van Oorschot (mijn overgrootouders) gepacht. Op foto 9 is dat links op de foto, ongeveer daar waar de bomen en struiken nu staan. Het was een grote langwerpige lap grond waarop groenten en fruit werden gekweekt. Daar werkte een oom van mijn vader. Mijn vader zelf kwam graag spelen in die tuin in het dorp IJsselmonde. Daar heeft hij mij jaren later vaak over verteld. Dat heeft mij zo nieuwsgierig gemaakt dat ik de plek waar die tuin heeft gelegen, wilde zien. Maar daar is tegenwoordig helemaal niets meer van te zien; er staat sinds de jaren 60 wat groen (zie foto 9) en een woonwijk (wat op foto 9 net niet te zien is) op dat stukje grond.
Nadat ik alles rond de kerk had bekeken, wandelde ik door de Benedenstraat (natuurlijk gelegen onder aan de dijk) in oostelijke richting, totdat ik in de nieuwe woonwijk Beverwaard terecht kwam.



In de Beverwaard stapte ik in op de tram en reed naar het noordelijke eind van de Beyerlandselaan. Daar staat sinds 2010 de grote Essalam moskee (= Vredesmoskee) met 2 minaretten (van 50 meter hoogte). Dat gebouw ziet u op foto 10 hierboven. De bouw van deze moskee begon in 2003 en verliep wel erg langzaam, zozeer dat het zo nu en dan het landelijke nieuws haalde. In 2010 werd de moskee voltooid en in gebruik genomen. Het is de grootste moskee van Nederland. Er leven nu eenmaal veel Turken en Marokkanen in Rotterdam. Niet alleen in Delfshaven maar ook op Zuid. Hun voorouders waren in de jaren 1960 door het Nederlandse bedrijfsleven naar Nederland gehaald als goedkope gastarbeider. Later mochten ze van de Nederlandse overheid hun vrouw en kinderen ook naar Nederland laten overkomen. Hun kleinkinderen en achterkleinkinderen zijn hier in Nederland geboren en hebben daardoor weinig meer met hun land van herkomst. Hun aanwezigheid was ook te zien aan de winkels op de Beyerlandselaan. Daar waren opvallend veel winkels met buitenlandse namen, gerund door allochtonen, onder andere opvallend veel winkels in trouwkleding. Halverwege de Beyerlandselaan maakte ik foto 11 (hieronder) van het Colosseum-blok. Ik herinner me dat daar tot in de jaren 1970 een bioscoop zat, genaamd Colosseum. Nadien is die gesloten. Tegenwoordig zit er een meubel-tapijtenzaak in. Je ziet het grote zwarte bord met witte letters (tekst: MMZ wonen) boven de ingang, al staat er op foto 11 helaas net een lantaarnpaal voor. Op diezelfde foto ziet u midden op de Beyerlandselaan ook masten met de bovenleiding voor de tram. Sinds circa 15 jaren rijdt er weer een tram over de Beyerlandselaan, net als vroeger. Al is het nu een electrische tram, terwijl het tot circa 1965 een stoomtram van de RTM was geweest die naar het omringende platteland zuidelijk van Rotterdam en verder naar de Zuid-Hollandse eilanden reed. In het verlengde van de Beyerlandselaan ligt de Groene Hilledijk. Daar heb ik zeer veel voetstappen liggen uit de tijd dat ik als kind elk jaar bij mijn grootouders logeerde, gedurende de jaren 60, 70 en 80. Mijn grootouders woonden in een flat aan de Groene Hilledijk en keken uit op de Daniel de Hoedkliniek. Niet direct het meest vrolijke uitzicht; het is een ziekenhuis voor kankerpatienten. Verderop, bij het Zuiderziekenhuis, helemaal aan het eind van de Groene Hilledijk stapte ik op de bus terug naar huis.



Nadat ik was uitgerust van de lange wandeling, ging ik er weer op uit. Nu nam ik de tram naar het Wilhelminaplein. Vandaar wandelde ik onder het Poortgebouw (uit 1879) door naar het entrepot "de 5 werelddeelen". Dat is een historisch pakhuis uit 1876, met bijbehorende entrepothaven (voltooid in 1878) en havenkranen. Het was gebouwd dank zij de investeringen van de roemruchte speculant Lodewijk Pincoffs (1827-1911), die in het net hierboven genoemde Poortgebouw zijn directiekantoor had. Dank zij zijn voorstellen had de stad na 1870 de sprong over de rivier de Nieuwe Maas naar Zuid gemaakt en waren er haventerreinen op de zuidoever aangelegd en pakhuizen gebouwd. Naast het pakhuis "de 5 werelddeelen" staat zijn standbeeld, dat u ziet op foto 12. Maar Lodewijk Pincoffs kijkt een beetje betrapt. En daar is alle reden toe. Toen in 1879 zijn financiele imperium vanwege een economische crisis instortte, vluchtte hij per trein naar Antwerpen en vandaar per emigrantenschip naar Amerika. Voor de Rotterdammers die met de puinhopen bleven zitten, was het buitengewoon onaangenaam.  Maar de wethouder voor Havenzaken Gerrit Jan de Jongh (1845-1917) kocht de haventerreinen en pakhuizen en haveninstallaties voor een prikkie op en bouwde de boel verder uit en liet nog meer havens uitgraven (o.m. de Rijnhaven, de Maashaven en de Waalhaven). Daarna groeide Rotterdam in zo'n 80 jaar tijd definitief uit tot de grootste havenstad ter wereld. Nadat ik zijn standbeeld had gefotografeerd (zie foto 12), wandelde ik rond het pakhuis naar de Rosestraat toe. Aan die kant van het voormalige pakhuis kon je via een grote brede ingangspartij naar binnen. Er zitten tegenwoordig allemaal restaurantjes, kleine winkeltjes en een grote buurtsuper in.
Naast het pakhuis stond aan de Rosestraat ook het voormalige stationsgebouw van de RTM. Dat beketekent officieel Rotterdamsche Tramweg Maatschappij, maar sommige Rotterdammers maakten daar vroeger al van: Rot-ezeltje Trek Maar. Van hier vertrokken de eerder genoemde stoomtrams door de Rosestraat, de Beyerlandselaan en de Groene Hilledijk naar de rest van het eiland IJsselmonde, en naar de andere Zuid-Hollandse eilanden. Mijn vader herinnert zich die tram nog heel goed. En ook mijn opa heeft mij daar indertijd regelmatig over verteld. Natuurlijk maakte ik van dat pand ook foto's, waaronder de hier onder staande foto 13. Daarna wandelde ik terug naar de RET-tramhalte op het Wilhelminaplein en reisde terug.


De volgende dag stapte ik op het NS-station Rotterdam-Lombardijen op de trein terug naar huis, naar Leeuwarden.

vrijdag 4 oktober 2013

Opnieuw naar Zwolle: Open Monumenten Dag 2013

Hallo ge-interesseerde bloglezers,

Op de Open Monumenten Dag van dit jaar ben ik in Zwolle geweest. Deze keer ben ik weer samen met een vriend uit Groningen langs monumenten en gebouwen gewandeld. Twee jaar geleden was ik ook op de Open Monumenten Dag in Zwolle geweest, maar toen was ik alleen. Daarover heb ik geblogd op 23 september 2011 onder de titel: Open Monumenten Dag in Zwolle. Vorig jaar ben ik samen met deze zelfde vriend op de Open Monumenten Dag in Harlingen geweest. Daarover heb ik geblogd op 23 september 2012 onder de titel: Open Monumentendag 2012 in Harlingen.
Mijn vriend vond het leuk om dit jaar weer samen met mij er op uit te gaan. Alleen was het wel jammer dat het weer zeer slecht meewerkte: het regende bijna aanhoudend. Gelukkig waren we vaak binnen. In Zwolle was mijn vriend al enigszins bekend. Net als ik. We wandelden door de Sassenpoort de binnenstad in en wandelden vervolgens langs een kronkelroute door de binnenstad langs allerlei monumentale panden met een oude tot zeer oude geschiedenis. Hij vond het net als vorige keren samen met mij, zeer interessant en informatief.



Nadat we via de Sassenpoort de oude stad waren in gelopen, begonnen we in de Waalse kerk. Op foto 1 hierboven ziet u de Waalse kerk van buiten. Van oorsprong was dat de Sint Geertruidenkapel, die deel uitmaakte van het rond 1390 gestichte Begijnenconvent. Dat was een gemeenschap van lekenvrouwen die samen woonden en leefden en samenwerkten volgens de leefregels van de congregatie van Windesheim en zo in hun eigen onderhoud konden voorzien. De Congregatie van Windesheim was in de Middeleeuwen bekend vanwege de Moderne Devotie, dat in die tijd een belangrijke beweging onder de toen al kritische gelovigen was. Over deze Moderne Devotie in Zwolle heb ik ook eerder geblogd, namelijk op 27 november 2011. Met de reformatie rond 1580 kwam de kapel leeg te staan. Vanaf 1685 kwamen veel Hugenootse vluchtelingen vanuit Frankrijk naar Nederland. Zo streken een aantal neer in Zwolle. Zij kregen de oude Sint Geertruidenkapel toegewezen als kerk. Maar ik vind het toch een merkwaardigheid: dergelijke Franstalige kerken kennen we juist als Waalse kerk, niet als Hugenootse kerk. Hoe dat zo gekomen is? In 1578 vond de tweede Dordtse synode plaats. De eerste Dordtse synode was in 1574, de tweede in 1578 en de derde in 1618. Die derde is voor Nederland indertijd de meest bekende en belangrijkste geweest. Maar op die tweede Dordtse synode van 1578 waren toen al veel Franstalige Calvinistische gelovigen aanwezig. Zij waren vanaf 1567 als gevolg van de dreigende komst van Alva met zijn Bloedraad en de Spaanse Inquisitie uit Wallonië weggevlucht naar Holland. Inderdaad, Wallonië is het Franstalige (!) gebied in Belgie dat wij nu nog steeds onder die naam kennen. Op die tweede synode werd beslist dat er vanaf 1578 twee verschillende synodes naar taal zouden worden georganiseerd; een Nederlandstalige en een Franstalige. Dat is sindsdien zo gebleven. Ondertussen vaardigde koning Hendrik IV van Frankrijk in 1598 het Edict van Nantes uit. Dat garandeerde de vrijheid van geloof voor de Hugenoten, naast de Katholieken. Maar in 1685 hief de oorlogszuchtige en zich Katholiek noemende koning Lodewijk XIV het Edict van Nantes op. Daarmee kwam er een eind aan de tolerantie van Hugenootse Protestanten naast de Katholieke kerk in Frankrijk. Als gevolg daarvan kwam er een enorme vluchtelingenstroom op gang naar de omringende landen, onder andere ook naar Holland. Omdat die Hugenoten Franstalig waren, konden ze zich direct aansluiten bij de reeds bestaande Franstalige Waalse kerk.
Op foto 2 ziet u mijn vriend in zijn blauwe jack staan praten met een vrouw. Van haar kocht hij twee Zwolsche Geertruidenkoeken. De opbrengst wordt gebruikt voor restauratie en onderhoud van de Waalse kerk in Zwolle. Toen het nog het eerder genoemde Middeleeuwse Begijnenconvent was, bakten de begijnen daar dit soort koeken. Nu is dat dus weer in ere hersteld.



Daarna wandelden we via een kronkelige route door de binnenstad van monument naar monument en van historisch woonhuis naar historisch woonhuis en van kerk naar kerk. Ik vermeld ze niet allemaal; anders wordt dit blogstukje veel te lang. Zo bezochten we bijvoorbeeld eventjes de Lutherse kerk (herkenbaar aan de gevelsteen met de zwaan boven de ingang) vlak bij de Blijmarkt. Daarna wandelden we langs de Sint Michaelskerk de Sassenstraat in naar het Karel de Vijfde-huis. Dat pand met zijn fraai versierde gevel uit 1571 ziet u op foto 3 hierboven. Toen ik daar twee jaar geleden was, werd dat pand nog uitgebreid gerestaureerd en opgeknapt en keek je tegen de kale gemetselde muren aan, waar plastic buizen uit de muren staken. Nu waren de kamers opgeknapt en ingericht en waren de muren behangen en was de restauratie voltooid. In de 16-e eeuw werd het pand bewoond door de familie Van Ittersum. Blijkbaar was burgemeester Van Ittersum uit zijn graf opgestaan, want er liep een man in 16-e eeuwse kleding rond. Op foto 4 ziet u zijn portret ten voeten uit, alsof het een fotografisch schilderij is. Zijn dochter liep er ook rond. Zij was eveneens gekleed in 16-e eeuwse kleding. Of was het zijn vrouw?

Nadat we uitgekeken waren in dit pand, wandelden we door de Sassenstraat terug en liepen we de Sint Michaelskerk in. Dat is een indrukwekkend groot en hoog kerkgebouw met pilaren en kerkbanken en indrukwekkend fraaie consistoriekamer op de fundamenten waar tot 1682 de toren had gestaan, zoals u kunt zien op foto 5 hieronder. In deze kerk vond ik ook het graf van de bekende 17-e eeuwse schilder Gerard Terborgh (1617-1681). Ondertussen zag mijn vriend dat er ook een boekenmarkt in deze kerk werd gehouden. Hij kon het niet laten en liep alle kramen en stellingen en dozen langs om te zien of er iets van zijn gading tussen zat.



Nadat we in de Protestantse Sint Michaelskerk waren uitgekeken, wandelden we door naar de Rooms-Katholieke O.L.Vrouwenkerk, die vooral bekend is om zijn toren, in de volksmond ook wel bekend als de Peperbus. Daar wees ik mijn vriend op de schrijn ter ere van de bekende geestelijke Thomas a Kempis (1380-1471), die eveneens een belangrijk woordvoerder was van de Moderne Devotie. Hij is bekend van zijn boek: De navolging van Christus. Onder Christenen is dat op de Bijbel na het meest gelezen boek. Op foto 6 ziet u het portaal en - tussen de zuilen door links - de schrijn met het zeegroene kistje met goudkleurige versiering met daarin de botten van Thomas a Kempis. Mijn vriend vond deze kerk meer een santekraam. Maar ik vond het wel een mooie santekraam. Zo'n Katholieke kerk is niet te vergelijken met die kale kerken van de Protestanten en Calvinisten.


Hierna wandelden we dwars door de binnenstad heen, naar de Diezerstraat. Dat is de bekendste winkelstraat van Zwolle. Daar bezochten we de voormalige Statenzaal. Daar was zeer veel publiek dat kwam luisteren naar een koortje op het podium, zoals u kunt zien op foto 7 hier boven. Maar ik was meer in de oogverblindend fraaie neogotische zaal zelf ge-interesseerd. Op de achterwand zijn 5 belangrijke taferelen uit de geschiedenis van Overijssel geschilderd. Mijn vriend vond het wel aardig maar was er snel op uitgekeken. Daarna wandelden we naar het pand naast de voormalige Statenzaal: de Openbare Bibliotheek van Zwolle. Daar genoten we van een kop koffie in het bibliotheekrestaurant. Tot slot liepen we naar het eind van de Diezerstraat. Daar wees ik mijn vriend op het stuk Middeleeuwse stadsmuur. Helaas regende het teveel om even bij de stadsmuur te kijken.


Daarna sloegen we de hoek om en liepen naar de Plantagekerk. Dat was sinds de 19-e eeuw een Gereformeerde kerk geweest en vanaf circa 1945 een Gereferomeerd-Vrijgemaakte (art-31) kerk, en nu is het dus een kerk van de PKN (= Protestantse Kerk Nederland). Dat sobere kerkgebouw ziet u op foto 8 hierboven. Nogmaals: de O.L. Vrouwenkerk is toch echt een mooiere kerk dan dit sobere kale kerkgebouw.
Hierna wandelden we terug naar het NS-station en namen de trein naar Meppel. Daar werden we door de ouders van mijn vriend van het station opgehaald waarna we bij hen thuis genoten van een lekkere warme maaltijd. Halverwege de avond brachten ze mij terug naar het NS-station van Meppel. Daar nam ik afscheid en stapte op de trein terug naar huis, naar Leeuwarden.

donderdag 19 september 2013

Chinees Maanfeest in Leeuwarden, met leestip

Hallo bloglezers,

Deze week liep ik in Leeuwarden voor de Beurs langs, waar sinds jaar en dag de Openbare bibliotheek van Leeuwarden in is ondergebracht. Daar zag ik ineens aan een lantaarnpaal een fraaie poster bevestigd, in Chinese stijl en met Chinese tekst, waarop stond aangekondigd dat binnenkort het Chinese Maanfeest zal worden gevierd. Die poster ziet u op de hier bijgevoegde foto. Het doet wel merkwaardig aan dat een Chinees feest plotseling wordt gevierd in de Friese hoofdstad. Maar dat is toch wel logisch, gezien de vele Chinese studenten die sinds enkele jaren hier in Leeuwarden studeren.


Door het zien van deze poster, moest ik denken aan de roman van Robert Hans van Gulik, getiteld: Moord op het Maanfeest, uit 1968. Robert Hans van Gulik was geboren in 1910 te Zutphen. Hij groeide op in Nederlands Indie, waar hij kennis maakte met de Chinese gemeenschap daar. Daarmee begon zijn fascinatie voor de Chinese cultuur. Jaren later volgde hij een studie sinologie aan de universiteit in Leiden. Daarna werd hij diplomaat en werd op diverse posten in het Verre Oosten gestationeerd, onder andere in India, Maleisia, Japan en natuurlijk ook China. In China vond hij een keer in een boekhandel een 18-e eeuws boekje over rechter Tie. Dat was een historisch bestaande persoon die leefde rond 630 tot 700, ten tijde van de Tang-dynastie. Daarover heb ik vorig jaar op 21 maart 2012 al een keer een blogstukje geplaatst met de titel: Opnieuw chinezen in Assen. Dit naar aanleiding van mijn bezoek aan de grote tentoonstelling over de Tang-dynastie in het Drents Museum in Assen. Dat 18-e eeuwse boekje vertaalde Van Gulik in het Engels en liet het uitgeven. Daarmee boekte hij een groot succes. Daarom vroeg zijn uitgever om meer romans met rechter Tie in de hoofdrol als detective. Helaas waren die er niet. Daarom verzon hij de volgende reeks avonturen rond de Chinese rechter zelf en schreef 5 historisch verantwoorde detective-romans rond rechter Tie. Het succes groeide. Daarom schreef Van Gulik een tweede reeks detectives. Bij deze tweede reeks hoort de reeds genoemde titel: Moord op het Maanfeest. Dat boek is postuum uitgekomen, want Van Gulik is overleden in 1967.
Ik kan deze romans beslist aanbevelen; ze lezen heel vlot weg. En je komt op zo'n speelse manier heel wat over het oude keizerlijke China te weten.

donderdag 12 september 2013

Dicht bij huis: het Poptaslot in Marssum

Hallo Bloglezers,

Niet zo lang geleden ben ik op de fiets gestapt en ben ik via Ritsumazijl naar Marssum gefietst. Ik verliet  Leeuwarden via een fietspad dat langs de Friesland Hal (ehh, tegenwoordig heet dat FEC = Friesland Expo Center) onder de Slauerhoffbrug door de stad uitleidt. Na een poosje arriveerde ik in het gehucht Ritsumazijl. In de 16-e en 17-e en 18-e eeuw was dat een belangrijk verkeerskruispunt van wegen en trekvaarten. Met de komst van de spoorweg naar Harlingen in 1863 nam het belang van Ritsumazijl af en na het graven van het Van Harinxmakanaal in 1951 zakte Ritsumazijl definitief weg in de vergetelheid. Tegenwoordig is het een rustig plaatsje waar hoogstens toeristen per fiets of per boot langskomen. Dit jaar vestigden de Ritsumazijlsters de aandacht met Schotse ruiten of tartans op hun woonplaats. Waarom Schotse tartans? Omdat ze het wel vonden passen bij het wegenpatroon van Ritsumazijl. Weliswaar is er maar 1 trekvaart en 1 weg (met verder 3 fietspaden die verschillende kanten uit waaieren), maar ze staan zozeer haaks op elkaar dat je inderdaad een beetje aan een Schotse ruit kunt denken.



Nadat ik een paar foto's had gemaakt van Ritsumazijl en de oude trekvaart (zie foto 1), fietste ik naar het noorden, naar Marssum. Halverwege stopte ik even om foto's te maken van het weidse uitzicht op Leeuwarden met zijn torens en hoge kantoren. Vervolgens sjouwde ik met mijn fiets over de grote loopbrug over de snelweg N-383 / A-31 die  Leeuwarden via Franeker met Harlingen verbindt. Vanaf die loopbrug had ik een fraai panoramisch uitzicht over de wijde omgeving. Reden om nog meer foto's te maken van de omgeving (zie foto 2) en het panorama op Leeuwarden.
Nadat ik aan de noordkant de trappen was afgedaald, fietste ik het dorp Marssum in. Zo passeerde ik de tuinen van het Poptaslot en het Poptagasthofje aan de westkant van de weg en het kaatsveld en akkers aan de oostkant van de weg. De weg waar ik over fietste lag opvallend hoog, net als de weg zuidelijk van de loopbrug naar Ritsumazijl. Dat is duidelijk te zien op foto 2. Het land tussen Marssum en Leeuwarden ligt opvallend laag. Dat is geen wonder: die weg ligt op een oude dijk uit de Middeleeuwen. Het was de westoever van de Middelzee of Bordine geweest. Marssum en Ritsumazijl liggen aan de westkant van de vroegere Middelzee en Leeuwarden ligt aan de oostkant ervan. Vandaar ook dat er aan de zuidkant van Leeuwarden twee wijken liggen met namen die daarnaar verwijzen: De wijk Aldlan ligt op het oude land, oostelijk van de Van Harinxmabrug. De Van Harinxmabrug en in het verlengde daarvan de snelweg met daaraan parallel de Overijsselsestraatweg lopen over het traject waar de oostoever van de Middelzee liep. De wijk Nijlan (waar ik woon) ligt westelijk van diezelfde Van Harinxmabrug op het nieuwe land; beter te zeggen: op de bodem van de droog gevallen en afgedijkte Middelzee. Rond 1290 is er een dijk aangelegd ter hoogte van Stiens. Sindsdien is de Middelzee afgesloten van de Waddenzee en is Leeuwarden geen kustplaats meer.




Bij de hoofdingang van het Poptaslot gekomen, stalde ik mijn fiets en liep door de stinsenpoort (zie foto 3) het kasteelterrein van het Poptaslot op. Daar kocht ik een kaartje waarna ik even moest wachten voor de rondleiding begon. In de tussentijd bekeek ik de zeer fraaie en zeer fotogenieke bloemenrijke tuinen rond het kasteeltje. Daar maakte ik foto 4. Toen het tijd was, keerde ik terug naar de binnenplaats waar de rondleiding begon.
Het Poptaslot is gebouwd rond 1520. Een precieze datum is helaas niet bekend omdat die Friezen er toen totaal niet aan dachten om dat te noteren. Ze wisten toen niet dat wij dat tegenwoordig heel belangrijk vinden en graag willen weten. Wie de opdrachtgever voor de bouw was, is zelfs evenmin bekend. Vermoed wordt dat het een zekere Sasker van Camstra is geweest, die vervolgens de naam van zijn moeder Heringa als familienaam aannam. Dat was de tijd dat Friesland in 1523 zijn roemruchte Friese Vrijheid kwijtraakte aan keizer Karel V. Daarmee kwam er ook een eind aan de Schieringer en Vetkoper twisten in Friesland. Dat zorgde voor rust in het land waardoor de handel eindelijk opbloeide. Een kleindochter van Sasker van Camstra trouwde in 1603 met een lid uit de Friese adellijke familie Van Eysinga. Een zoon uit dit huwelijk, genaamd Tjalling van Eysinga woonde met vrouw en kinderen op Heringastate. Hij liet rond 1631 het kasteeltje verbouwen en verfraaien. Toen werden in het kasteeltje de verschillende deuren opgesierd met fraaie deurposten met beeldhouwwerken. Dat werd ook gedaan bij de open haarden, zoals hieronder te zien is op foto 6, rond de open haard in de zaal. En eveneens werd toen de fraaie stinsenpoort gebouwd met het wapen Van Eysinga hoog in de buitengevel. In 1676 overleed de laatste bewoner, een dochter Van Eysinga. In 1687 werd het kasteeltje met de omringende landerijen door haar nazaten verkocht aan de advocaat van het Hof van Friesland, Henricus Popta (1635-1712). Hij gaf de uiteindelijke naam aan het kasteeltje: het Poptaslot. Hij liet zijn eigen wapen plaatsen in de buitengevel van de stinsenpoort, waardoor je nu - heel merkwaardig - het wapen Popta ziet, omringd door een doek, helm en helmteken (een rode leeuw tussen twee veren) en andere versierselen die oorspronkelijk bij het wapen Van Eysinga hebben gehoord. Bekijk foto 3 nog maar eens goed.
Het Poptaslot in Marssum was zijn buitenhuis. Zijn woonhuis stond in Leeuwarden aan de drukke kant van de Nieuwstad. Aan dat woonhuis in Leeuwarden is nu niets meer te zien dat naar de vroegere bewoner verwijst, alleen het Poptapoortje, met boven de doorgang het wapen Popta. Dat bestaat uit een wapenschild met een blauw veld met daarin twee gouden zespuntige sterren en daaronder een witte lelie. Dat poortje is te zien op foto 5.
Henricus Popta was een harde en zorgvuldige werker en een sociaal voelend man. In 1711 besloot hij tot de oprichting van het Poptagasthuis, direct naast het Poptaslot. Het was bestemd voor weduwen en ongetrouwde vrouwen. Ze mochten daar gratis wonen op voorwaarde dat ze een dag per jaar een grote houten kast in de zaal kwamen poetsen met was. Het was rond 1700 duidelijk een tijd geworden waarin er veel meer werd opgeschreven dan rond 1500; daarom weten wij tegenwoordig meer over de tijd van Henricus Popta dan over de tijd van Sasker van Camstra. Helaas heeft Popta de voltooiing van het gasthuis in 1713 niet meer meegemaakt; hij overleed in 1712. In zijn testament had hij alvast 4 voogden voor het gasthuis aangewezen en had hij de bestuurszaken geregeld. Daarnaast regelde hij via datzelfde testament een beurs voor studenten. Verder besliste hij dat na zijn dood het kasteeltje niet meer mocht worden bewoond. In 1906 werd het Poptaslot (toen nog steeds aangeduid als Heringastate) gerestaureerd. Tegenwoordig is het een museum.



De museumgids leidde ons door de hoofdingang in de toren het kasteeltje binnen en bracht ons naar de gang, waar het portret van Henricus Popta hangt, tezamen met dat van zijn moeder. Hij vertelde dat Popta dank zij de zuinigheid van zijn moeder rechten kon studeren aan de universiteit in Franeker. Aan zijn vader had hij niet veel; die was te vaak dronken. Waarschijnlijk was dat ook een reden waarom hijzelf nooit getrouwd is geweest. Vervolgens leidde de gids ons naar de woonkamer waar hij ons een grote kast toonde met een spectaculair groot porseleinen servies. Daarna volgde de serre, van waaruit je een fraai uitzicht op de tuin hebt. En daarna kwam de zaal met de al eerder genoemde kast die nog altijd jaarlijks wordt opgepoetst door de bewoonsters van het vrouwengasthuis. Dat zijn tegenwoordig niet alleen oude dames en weduwen, maar ook jonge studentes. Op een tafel midden in de zaal lagen een paar foto's van vrolijke vrouwen die op stoelen zaten of de kast aan het poetsen waren. Op diezelfde tafel staat ook de zilverschat van het Poptaslot. Althans, dit zijn replica's. De originelen waren tot voor kort te bewonderen in het Fries Museum in de zilverkelder, streng beveiligd achter dik glas. Dat ziet u allemaal op foto 6. In een hoek van deze zaal stond een tafel met daarop een stenen plaat (op de foto niet te zien). Als de boeren hun pacht betaalden, lieten ze dat op de stenen plaat vallen. Zo kon Popta horen of er met echt goed klinkende munt werd betaald. Vervolgens leidde de gids ons naar de voogdenkamer met de wapens van alle voogden sinds 1713 aan de muur. Die kamer ziet u op foto 7. Omdat er in deze kamer een groot portret van de heer Buma hangt, heet het de Buma-kamer. Dat schilderij kunt u op deze foto niet zien, omdat ik er met de rug naar toe stond. Daarna volgden de keuken met het grote lage fornuis en smetteloos witte muren met enkele fraaie tegeltableaus, de wijnkelder met rekken vol wijnflessen bedekt met een laagje stof, de werkkamer en slaapkamer van Henricus Popta zelf op een soort tussenverdieping, de 2 logeerkamers met opvallend ingebouwde bedden of bedsteden  voor gasten, en tot slot de zolder. Daarna bracht de gids ons weer terug naar de binnenplaats, waar hij de rondleiding afsloot.



Ik wilde het kasteelterrein aflopen maar zag in de stinsenpoort een openstaande deur en een wenteltrap met ernaast een bord waarop vermeld stond dat daar boven op de zolder van de stinsenpoort een kleine tentoonstelling over de tuinen was. Ik beklom de smalle wenteltrap en bekeek de tentoonstelling. Er stonden diverse oude grasmaaiers en er was wat antiek tuingereedschap uitgestald. Verder stonden er enkele ketels en pannen om verschillende vruchten te verwerken tot jam of cider of wijn. Die wijnflessen werden natuurlijk opgeslagen in de eerder genoemde wijnkelder. Nadat ik alles had gezien, daalde ik de wenteltrap af en verliet het kasteeltje. Ik stapte nog niet direct op mijn fiets maar maakte een kleine wandeling door het dorp. Zo liep ik over het kerkhof rond de 12-e eeuwse Sint Pontianuskerk, gebouwd op het hoogste punt van de terp van Marssum. Aan de muren met tufstenen en 12-e eeuwse kloostermoppen en 18-e eeuwse gele baksteentjes door elkaar heen gemetseld, kon je zien dat in later eeuwen de kerk diverse keren flink was verbouwd. Dat is duidelijk te zien op foto 8. De toren stamde uit de 13-e eeuw. Rond 1848 was het zadeldak vervangen door de huidige spits. Daarna liep ik naar het Poptagasthuis en wandelde door de fraaie 18-e eeuwse hoofdpoort door het gasthuis, waar je bijna overal het wapen Popta tegenkwam. Op foto 9 is de voorgevel van het gasthuis te zien. Daar ziet u ook de eerder genoemde oude dijkweg die voor het gasthuis langs loopt.



Daarna stapte ik weer op de fiets en maakte een rit in noordelijke richting om het dorp Marssum heen. Zo passeerde ik de afslag naar de spottersplaats bij de luchtmachtbasis. Natuurlijk was daar op deze dag niemand te bekennen. Er vlogen op deze dag geen interessante militaire vliegtuigen rond. Verderop sloeg ik af, een smalle weg in naar het westen, met aan beide kanten uitgestrekte weilanden met hier en daar enkele boerderijen. Even later fietste ik over een brug over een vaart van waaraf ik een fraai uitzicht had op de kerktoren van Engelum in de verte, zoals te zien is op foto 10. Kort daarop passeerde ik een bord in de berm waarop tekst en uitleg stond over het klooster Franjum dat daar vlakbij in een weiland had gestaan. In 1580 was dat klooster in het kader van de Protestantse Reformatie, en de strijd tegen de Katholieke (!) Spanjaarden ten tijde van de 80-jarige oorlog gesloopt. Anders konden die Spanjaarden zo'n stevig bakstenen gebouw mooi gebruiken als aanvalsbasis. En met zo'n vooruitzicht waren de Protestanten in de stad Leeuwarden en de dorpen op het omringende platteland niet blij mee. Daarna sloeg ik af en fietste over een smal schelpenpaadje dwars door de weilanden terug naar Marssum. Daar sloeg ik opnieuw af en fietste ik over een puinweg naar de Marssumer poldermolen uit 1903 en maakte ook daar enkele foto's van, waaronder foto 11.
Toen had ik alles gezien en fietste terug naar Leeuwarden, naar huis.

woensdag 4 september 2013

Opnieuw Utrecht: tentoonstelling over de Vrede van Utrecht in 1713

Hallo ge-intereseerde bloglezers,

Inderdaad, een paar weken later in augustus ging ik weer naar Utrecht. Deze keer bezocht ik het Centraal Museum. Dat is gevestigd in het voormalige Agnietenklooster, een enorm gebouwencomplex bestaande uit verschillende vleugels die met gangen en trappenhuizen met elkaar verbonden zijn, en dat gesitueerd is aan de zuidkant van het historische stadscentrum, naast de Sint Nicolaaskerk. Daar wordt tot 22 september 2013 de tentoonstelling over de Vrede van Utrecht gehouden, die dit jaar precies 300 jaar geleden is getekend. Op dit vredesverdrag sloeg het grote fotodoek dat aan de voorgevel van het stadhuis van Utrecht hangt, waarvan ik in mijn vorige blogbericht van 20 augustus 2013 (hier direct onder dit blogbericht) een foto had geplaatst. En daar slaat ook het monumentje op, bestaande uit twee gekruiste zwaarden, dat u op hier foto 1 ziet.
Na aankomst op het Centraal Station wandelde ik direct naar het Centraal Museum. Het stadscentrum van Utrecht begint vertrouwd voor me te worden.


Eerst even wat uitleg over de Spaanse Successie-oorlog die begon in 1701 en eindigde met de Vrede van Utrecht in 1713. Eigenlijk was het een grote familieruzie tussen de belangrijkste vorstenhuizen van Europa en lagen de redenen voor dit conflict al ver voor 1701. In Spanje regeerde koning Carlos II (1661-1700). Hij had geen kinderen en geestelijk en lichamelijk mankeerde er ook het een en ander aan hem. De grote vraag die in Europa iedereen in de ban hield was: wie volgt hem op na zijn overlijden? Er waren twee kandidaten: kleinzoon Philips (1683-1746) van de oorlogszuchtige koning Lodewijk XIV (1643-1715) van Frankrijk die getrouwd was met een zus van Carlos II, en de tweede zoon Karel (1685-1740) van de Duitse keizer Leopold I (1643-1705) die getrouwd was met een andere zus van Carlos II. Beiden konden terecht de Spaanse troon claimen, maar daarmee was wel het conflict geboren. Vandaar mijn eerdere opmerking, dat de hele Spaanse successie-oorlog eigenlijk een familieruzie betrof. Daarom werd er door de internationale diplomaten een ander compromis bedacht: het zoontje Jozef Ferdinand (1692-1699) van de koning van Beieren werd als kandidaat naar voren geschoven. Zo waren de diplomaten bezig met een soort schaakspel, waarbij ze met van alles rekening hielden. Behalve met Magere Hein.  Het zoontje van de Beierse koning overleed, waardoor het compromis wegviel. Kort daarna overleed koning Carlos II van Spanje. Zijn testament werd voorgelezen, waaruit bleek dat het hele Spaanse rijk naar Philips (de kleinzoon van Lodewijk XIV) ging. Daarop riep Lodewijk XIV uit: "er zijn geen Pyrenee-en meer", en stuurde zijn kleinzoon Philips met een groot Frans leger naar Spanje. Daarmee schond Lodewijk XIV een hele reeks internationale verdragen, en schoffeerde hij diverse Europese vorsten, waaronder onze stadhouder Willem III (1650-1702) die sinds de Glorious Revolution van 1688 tevens koning van Engeland was. Dat kwam omdat hij Protestants was, en omdat hij getrouwd was met Mary (1662-1694) de dochter van de Katholieke ex-koning van Engeland Jacobus II, die in 1688 van de troon was gestoten en naar Frankrijk was gevlucht. In 1672 (het Rampjaar) had stadhouder Willem III de Republiek gered van verovering door de toen ook al oorlogszuchtige koning Lodewijk XIV, en in 1690 versloeg hij zijn schoonvader en ex-koning Jacobus II in Ierland in de slag bij de Boyne die met hulp van Lodewijk XIV via Ierland probeerde terug te komen op de Engelse troon. Die door de Protestanten gewonnen veldslag wordt in Noord-Ierland nog steeds gevierd met de zeer provocerende Oranjemarsen van de huidige Protestanten door de Katholieke woonwijken.

Kunt u het nog volgen? Ziet u door de stambomen met al die namen en jaartallen het familiebos nog?

In 1701 Willem III smeedde deze keer een grote coalitie van Geallieerden (bestaande uit Engeland zelf, Holland, Pruissen, Oostenrijk en diverse kleine Duitse staatjes) die gezamenlijk ten strijde trokken tegen Frankrijk, in het bijzonder tegen Lodewijk XIV. Zelf overleed Willem III in 1702 door een val van zijn paard in de tuin van zijn Engelse paleis Hampton Court. Hij werd opgevolgd door zijn schoonzus Anna. Dat nam niet weg dat Engeland doorging met de oorlog. In 1702 belaagde een gezamenlijke Engels-Hollandse vloot de jaarlijkse Spaanse zilvervloot die de baai van Vigo (gelegen op de Spaanse noordkust) in vluchtte en daar werd vernietigd. Daarmee werd het zilver en goud uit de Spaanse kolonies in Zuid-Amerika, dat op de bodem van de baai van Vigo lag, onbereikbaar voor Lodewijk XIV. Dat zilver en goud komt zo'n 150 jaar later terug in een bekende roman van een bekende Franse auteur: 20.000 mijlen onder zee, van Jules Verne. Dan fungeert al dat goud en zilver als de prive-bank van de geheimzinnige kapitein Nemo. Maar dat terzijde. Vervolgens veroverde diezelfde Engels-Hollandse vloot in 1704 het bekende zuidelijke  rotspuntje Gibraltar. Op die manier kon de Franse macht over de toegang tot de Middellandse zee effectief worden gedwarsboomd.
Daarnaast werd er een groot Engels leger naar het continent gestuurd dat tegen de Franse vijand ten strijde trok. Zo werd er onder andere een grootschalige veldslag geleverd in het Duitse Rijk bij Blenheim in 1704. De Engelsen, onder bevel van de hertog van Marlborough wonnen. Als dank kreeg de hertog een paleis, dat sindsdien Blenheim Palace heet. De hertog van Marlborough heette John Churchill (1650-1722). Inderdaad: hij is de voorvader van die andere zeer bekende Brit: Winston Churchill. Die is in 1874 geboren en opgegroeid op Blenheim Palace en heeft dus veel verhalen over zijn beroemde voorvader gehoord wat hem waarschijnlijk heeft ge-inspireerd om ook "belangrijke daden" te verrichten. Zijn belevenissen in de Boerenoorlog rond 1900 in Zuid-Afrika zijn bekend. De blunder van Gallipoli in 1915 (tijdens de Eerste Wereldoorlog) ook, al is die hem beslist niet aan te rekenen. Maar hij is vooral beroemd geworden omdat hij Groot-Brittannië door de Tweede Wereldoorlog loodste.
Terug naar de Spaanse Successie-oorlog. Die sleepte zich maar voort van veldslag naar veldslag en er kwam maar geen definitieve overwinning in zicht. Uiteindelijk sloeg de oorlogsmoeheid toe bij de oorlogvoerende landen en kwam de wens naar vrede op. De keus voor de plaats voor vredesonderhandelingen viel op Utrecht omdat het als betrekkelijk neutraal gebied werd gezien. En zo kwam het dat in Utrecht de internationale delegaties aankwamen, maandenlang met elkaar onderhandelden en na meer dan een jaar een vredesverdrag bekokstoofden. Dat ze zich daarnaast in de nachtelijke uren ook vermaakten, schreef ik al in mijn vorige blogbericht hier direct onder, over mijn bezoek aan het Spoorwegmuseum in Utrecht van 20 aug 2013, getiteld: Naar het Spoorwegmuseum in Utrecht.


De tentoonstelling zelf was heel interessant, al vond ik dat sommige dingen een beetje summier werden belicht. Opmerkelijk vond ik dat er werd teruggegrepen naar de godsdiensttwisten die na Luthers 95 Stellingen uit 1517 in heel Europa waren ontstaan, zoals in het Duitse Rijk de Schmalkaldische oorlog van 1531 tot 1547 en die voorlopig met de Godsdienstvrede van Augsburg in 1555 werd be-eindigd, in Frankrijk van 1562 tot 1598 (de godsdienstoorlogen), in ons land van 1566 tot 1648 (de 80-jarige oorlog) en nogmaals in het Duitse Rijk van 1618 tot 1648 (de 30-jarige oorlog). In 1648 werden die laatste 2 oorlogen afgesloten met de vredes van Westfalen (resp. in Munster en Osnabruck). Blijkbaar was de godsdienstkwestie in 1648 een los eindje gebleken dat pas met de Vrede van Utrecht in 1713 definitief werd geregeld. Zelf heb ik de indruk dat de godsdienstkwestie sinds de 80-jarige en 30-jarige oorlogen vooral werd misbruikt door de verschillende koningen en keizers als machtsfactor, en niet meer ter zake deed als serieus ideologisch strijdpunt. Let ook maar eens op het feit dat de Protestantse koning-stadhouder Willem III naast diverse Protestantse landen ook Katholieke bondgenoten had; niet alleen de Duitse keizer Leopold, maar zelfs ook de paus!
Op de tentoonstelling waren natuurlijk heel wat schilderijen te zien, niet alleen van oorlogstaferelen, maar ook van de verschillende bekende personen uit die tijd, zoals onder andere van Lodewijk XIV, van onze koning-stadhouder Willem III, maar ook van andere koningen, legerleiders en diplomaten. Zo zijn op foto 3 hierboven van links naar rechts de portretten te zien van de legerleider prins Eugen von Savoye, de al eerder genoemde generaal John Churchill (1650-1722), en koningin Anna (1665-1714). Zij was de andere dochter van de in 1688 verdreven ex-koning Jacobus II. Zij volgde koning-stadhouder Willem III in 1702 in Engeland op. Ze was getrouwd met de Protestantse prins George van Denemarken (1653-1708). In Holland kwam er geen opvolger; daar begon het Tweede Stadhouderloze tijdperk.
Halverwege de tentoonstelling was er een kaart op een scherm te zien waarop het verloop van de al eerder gememoreerde grootschalige slag bij Blenheim werd getoond. Aan het eind van de tentoonstelling was op een hele reeks kaarten van Europa het eindresultaat van het vredesverdrag te zien. Daar was ook het vredesverdrag uit 1713 zelf te bekijken, wat te zien is op foto 3 hieronder. Overigens: Nederland werd afgescheept met de enclave Venlo, terwijl Oostenrijk bijna alle Spaanse gebieden in Italie kreeg toegewezen. Verder mocht Engeland Gibraltar plus een aantal Franse kolonies in Amerika en Azie houden; daarnaast eigende het zich een hele reeks handelsvoordelen toe. Frankrijk verloor (heel merkwaardig) in Europa zo goed als niets bij dit hele conflict, behalve een groot aantal kolonien in Amerika, Afrika en Azie aan Engeland. De echte verliezer was dus het machteloze Spanje. Een ander gevolg van deze oorlog was dat Holland een tweede-rangs-macht werd en dat Engeland (dat in 1707 door samenvoeging met Schotland uitgegroeid was tot Groot-Brittannië) toen pas echt opkwam als de nieuwe koloniale supermacht.
In 1715 overleed Lodewijk XIV en begon er een serieuze periode van vrede die duurde tot 1740, toen de Oostenrijkse Successie-oorlog uitbrak.


Nadat ik de tentoonstelling had bekeken, wandelde ik verder rond in de rest van het museum. Zo was er een afdeling te zien over archeologie. Logisch met zo'n oude stad die ontstond rond het castellum dat de Romeinen hadden gebouwd bij de oversteekplaats in de toenmalige rivier de Rijn 2000 jaar geleden. Een andere afdeling ging over mevrouw Maria Elisabeth Houtzager (1907-2001) die van 1951 tot 1972 directrice was geweest van het Centraal Museum. Weer een andere afdeling ging over de bekende Stijl-architect Gerrit Rietveld, wat logisch is omdat hij het Rietveld-Schroder-huis had ontworpen. Op die afdeling stonden een paar van zijn beroemde stoelen (die gezien hun hoekige vorm niet echt lekker zullen hebben gezeten).
Bij het Centraal Museum hoorde nog een dependance aan de overkant van de straat, gevestigd in het Dick Bruna-huis. Maar daar ben ik niet meer aan toegekomen. Het was toen al 5 uur.



Ik verliet het Centraal Museum en maakte een wandeltocht door Utrecht. Zo vond ik in een park niet ver van het Centraal Museum het bastion Sonnenborgh, waar het museum met dezelfde naam annex sterrenwacht staat. Op foto 4 ziet u het bastion Sonnenborgh van onderaf. Halverwege de helling is de zon te zien waar het bastion naar vernoemd is en boven is nog net een koepel te zien waaronder een  oude sterrenkijker staat opgesteld. Daar wil ik een andere keer naar toe. In dit gebouwencomplex was in 1854 het KNMI begonnen dat sinds 1897 in De Bildt zit.
Halverwege mijn wandeling naar de Domtoren vond ik bij toeval een pand waar de bekende natuurkundige Conrad Rontgen (1845-1923) een poos heeft gewoond tijdens zijn studie. Hij was de ontdekker van de Röntgenstraling in 1895. Dat pand ziet u op foto 5. In de zijgevel van het pand is een tegeltableau met zijn portret te zien. Het was de woning van de scheikundeleraar J.W. Gunning bij wie Rontgen als student inwoonde van 1863 tot 1865.
Bij de domtoren waren heel wat restaurants. Daar streek ik neer en bestelde een maaltijd voor mezelf. Nadat ik die op had en afgerekend had, wandelde ik via een andere route als een paar weken terug, naar het NS-station. Onderweg zag ik in de verte de top van het vroegere NS-kantoor. Vanwege de vorm staat het bekend als de Inktpot. Vlakbij de top was een reusachtige vliegende schotel te zien. Waren daar buitenaardse wezens geland? Ik maakte er een foto van (dat is foto 6 hieronder aan dit blogbericht) en liep dwars door het winkelcentrum Hoog Catharijne naar het Centraal Station waar ik de trein terug naar Leeuwarden nam.

dinsdag 20 augustus 2013

Naar het Spoorwegmuseum in Utrecht

Enkele weken geleden ben ik naar het Spoorwegmuseum in Utrecht geweest. Daar loopt momenteel tot en met 1 september 2013 een tentoonstelling onder de titel: Sporen naar het front. Onderwerp: de belangstelling van het leger voor de trein en al zijn mogelijkheden voor de oorlogvoering.

Na aankomst op Utrecht-CS liep ik het winkelcentrum Hoog Catharijne door en wandelde dwars door de binnenstad van west naar oost naar het voormalige spoorwegstation Maliebaan. Onderweg passeerde ik het stadhuis. Daar hing aan de voorgevel een reusachtig grote poster-foto van een grote groep mensen in 18-e eeuwse kledij in een 17-e eeuws decor, zoals te zien is op foto 1 in dit blog-artikel. Dat sloeg natuurlijk op de Vrede van Utrecht die in 1713 werd gesloten. Daarmee kwam er een eind aan de vele oorlogen die de Franse koning Lodewijk de Veertiende in Europa had ontketend. Dat vredesverdrag van 300 jaar geleden werd dit jaar herdacht in Utrecht met diverse manifestaties en verscheidene tentoonstellingen met als thema oorlog en vrede. En dat gold dus ook voor de tentoonstelling in het Spoorwegmuseum.



Ik wandelde verder door straten en langs grachten in het centrum van Utrecht, totdat ik aan de oostkant van het stadscentrum de vroegere stadsgracht overstak en vervolgens bij het begin van de Maliebaan de weg overstak, en doorliep naar het voormalige Maliebaan-station, sinds 1953 het spoorwegmuseum van Nederland. Dat stationsgebouw ziet u op foto 2.
In de jaren 70 ben ik al eens met mijn grootouders vanuit Rotterdam in het Spoorwegmuseum geweest. Later, bij een tweede bezoek rond 1980, was er evenmin niks veranderd. Maar nu, in 2013,  zag ik  direct dat er grote veranderingen hadden plaatsgevonden. Rechts van het voormalige stationsgebouw lagen vroeger diverse sporen met daarop uitgestald stoomlocomotieven, wagons, (stoom)trams en ander spoorwegmaterieel, met een groot hek er omheen. Nu was dat allemaal weg en was het een parkeerterrein geworden. Verder was het gebouw zelf gerestaureerd en beschilderd in vrolijke kleuren, en stonden er op het dak enkele vlaggemasten.
Binnen was er nog meer veranderd. De hal was helemaal in de oude staat hersteld inclusief de oude wandschilderingen. Vroeger kon je in het hele voormalige stationsgebouw zelf de tentoonstelling over de spoorwegen bekijken. Dat was in de linkervleugel niet meer het geval. In de rechtervleugel wel, maar daar waren er nieuwe en andere dingen ondergebracht, zoals de koninklijke wachtkamer uit het gesloopte Haagse Staats-Spoor-Station, dat tot circa 1973 op de plek van het huidige Den Haag Centraal Station had gestaan. Buiten stonden op het enige spoor langs het perron en op het al eerder genoemde terrein naast het stationsgebouw de stoomlocomotieven en spoorwegwagons. Nu zijn er achter het ooit enige spoor langs het perron, meer sporen aangelegd, is er een draaischijf te bekijken (al was het materieel daar een tikje rommelig opgesteld, maar dat terzijde), en staat er nu ook recenter materieel. En - bovenal - is er een enorme hal gebouwd waarbinnen tegenwoordig de uiteindelijke tentoonstelling is ondergebracht.


De ene helft van de hal bevatte spoorwegmaterieel van de vaste collectie. Daar zag ik ook de bekende stoomlocomotief nr. 3737 staan, die u hier op foto 3 ziet. Die stoomlocomotief werd in 1911 door de NS in gebruik genomen en in 1958 met de electrificatie van de spoorwegen buiten gebruik gesteld en in het spoorwegmuseum gestald. In later jaren is deze locomotief zo nu en dan gebruikt voor festiviteiten en nostalgische ritten. Er was ook een aparte zaal over luxe spoortreinen uit het verleden zoals de beroemde Oriënt Express. Verder was er in de grote hal ook een winkel en een restaurant te vinden. Maar mijn grootste interesse betrof de andere helft van de grote hal. Daar was de tentoonstelling Sporen naar het Front te bekijken.

Even een korte geschiedenis: In 1830 reed in Engeland de eerste stoomtrein tussen Manchester en Liverpool. Het leger was direct al geinteresseerd in de mogelijkheden van de trein. Vooral in de transportmogelijkheden. Je kon daarmee veel makkelijker soldaten mobiliseren en naar het front vervoeren, zonder dat ze vermoeiende marsen hoefden te maken. Je kon ook veel makkelijker materieel aanvoeren, zoals wapens en munitie, maar ook paarden, en natuurlijk ook voedsel. De eerste echt grote test vond plaats tijdens de Krim-oorlog (1853-1856). De Britse soldaten werden op de Krim vanaf de landingsplaats bij Balaklava per vlug aangelegd spoorlijntje naar het slagveld bij Sebastopol vervoerd. En gewonden (die had je natuurlijk ook in een oorlog!) werden snel afgevoerd. Meestal crepeerden die alsnog in de lazaretten, maar dank zij de goede verzorging door Florence Nightingale en haar verpleegsters genazen ze alsnog. Daarna konden ze weer per spoor terug naar het front om opnieuw gewond te raken of zelfs te sneuvelen. Toen ze dat merkte, werd Florence Nightingale daar erg boos en heel cynisch over.
Nog geen 10 jaar later  - tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog van 1861-1865 - werd er een nieuwe technische mogelijkheid toegepast: kanonnen op spoorwegwagons, oftewel: spoorweggeschut. Dat bood interessante mogelijkheden voor steeds grotere kanonnen, totdat ze te groot en te kwetsbaar werden. Dat bleek vooral tijdens de Tweede Wereldoorlog, vooral aan het Oostfront. Spoorwegen konden met vliegtuigen worden gebombardeerd of door partizanen worden gesaboteerd. En dan kun je spoorweggeschut maar moeilijk verplaatsen naar andere frontsectoren.
Een andere mogelijkheid was de pantsertrein. Dat was een trein bestaande uit gepantserde locomotieven en wagons, compleet met schietgaten en geschutskoepels, alsof het kleine slagschepen op rails zijn. Vooral in de Eerste Wereldoorlog werden ze veel gebruikt aan beide zijden van het Oostfront.
In mei 1940 werden pantsertreinen door het Duitse leger tegen Nederland ingezet. Maar ook hiervoor gold: als de spoorlijnen konden worden gesaboteerd, dan was een pantsertrein ook moeilijk te verplaatsen. En daarmee is nadien het gebruik van spoorwegen voor de oorlogvoering van afnemend belang geworden. Al schijnt het - volgens een vergeten wet - nog steeds verboden te zijn om in Nederland stationsgebouwen en rangeerterreinen te fotograferen.





De tentoonstelling zelf was de moeite waard. Dat begon met mobilisatietreinen zoals die in Nederland tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog werden gebruikt. In een aantal passagierswagons waren ook haken bevestigd om ze snel te kunnen ombouwen tot gewonden-trein. Maar dat is in Nederland nooit nodig geweest. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was Nederland neutraal en in mei 1940 was de strijd binnen een week voorbij. Verderop stonden er verscheidene locomotieven waaronder de Longmoor, die hier boven te zien is op foto 4. Dat is een stoomlocomotief uit 1945, gebruikt in Groot-Brittannië door het Britse leger en na de oorlog tezamen met enkele tientallen andere locomotieven overgenomen door de NS. De Duitse bezetter had in Nederland namelijk al het spoorwegmaterieel geroofd of verwoest. Vandaar.
Daarnaast waren er diorama's met modeltreinen, waaronder de pantsertreinen die de Duitsers gebruikten bij de inval in Nederland in mei 1940. In verreweg de meeste gevallen mislukten de Duitse pogingen om op die manier dwars door de Nederlandse linies heen te breken, omdat de bruggen over de Maas in Noord-Brabant op tijd werden opgeblazen, behalve bij Mill.
Verderop in de tentoonstellingshal stond een pantsertrein zoals die eventjes in augustus 1944 in Slowakije had gereden. Ernaast stonden diverse platte wagens met daarop tanks en kanonnen vastgesjord, alsof ze zo naar een nieuw oorlogsfront konden worden vervoerd. Die ziet u op foto 6, die ik vanaf een loopbrug in de hal heb genomen.
In een hoekje van de grote hal stond een model van een wel heel erg groot kanon: Schwerer Gustav. Die ziet u op foto 5. Het model op zich is al heel groot. Hoe groot moet het oorspronkelijke origineel dan wel zijn geweest? Gigantisch! Het was een kanon, gemaakt bij Krupp, op een enorme affuit die alleen al dubbel spoor nodig had om te worden verplaatst. De loop van dat kanon had een lengte van 32,5 meter en een doorsnee van 80 centimeter. En dat kanon kon circa 47 kilometer ver schieten. Het was een indrukwekkend groot gevaarte, maar was van weinig nut geweest. Het was aanvankelijk de bedoeling van het Duitse leger geweest om dit enorme kanon in mei 1940 in te zetten tegen de Franse Maginotlinie, maar toen het gevaarte uiteindelijk klaar was, was Frankrijk al lang veroverd, verslagen en bezet. Maar in de zomer van 1942 werd het enorme kanon alsnog ingezet tegen Sebastopol. Met verwoestende gevolgen.
In de vitrines ernaast was een kleine fototentoonstelling te zien van ander (minder) reusachtig spoorweggeschut, zoals dat in de beide wereldoorlogen was gebruikt. Onder andere Anzio Annie en de Anzio Express, twee Duitse K5-kanonnen met lopen van 32 meter lang en een doorsnee van 28 centimeter, die circa 70 kilometer ver konden schieten. Ze werden aan veel fronten ingezet, onder andere ook in Italie, tegen de Amerikaanse troepen die in januari 1944 bij Anzio waren geland. Tussen de schoten door werden ze verborgen in tunnels en herladen, zodat de Geallieerden de beide kanonnen nooit hebben kunnen vinden en uitschakelen. Deze K5-kanonnen hebben grote verwoestingen aangericht onder de Amerikanen op de kust bij Anzio en zo de opmars naar Rome maandenlang weten tegen te houden.
In een andere hoek van de tentoonstellingshal stond een ander reusachtig spoorwegkanon: de Britse L1. Die ziet u op foto 7, die ik eveneens vanaf de zelfde loopbrug heb genomen. Het gevaarte werd ontwikkeld tijdens de Eerste Wereldoorlog door het Britse leger, maar kwam pas klaar toen de oorlog net was ge-eindigd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden ze opgesteld in spoorwegtunnels in de buurt van de Britse kust om de Duitsers te bestoken, mochten die toch een landingspoging binnen het kader van Operatie Seelowe wagen. Dit kanon had een loop van 17 meter lang en verschoot kogels  met een doorsnee van 46 centimeter tot circa 20 kilometer ver. Daarmee kon dit kanon niet eens de overkant van het Kanaal halen; dat is circa 30 kilometer breed. De verschillende exemplaren van het L1-geschut verdwenen na de Tweede Wereldoorlog in de opslag en werden uiteindelijk maar omgesmolten, op dit ene exemplaar na. Voor de affuit lag op de grond een kogel zoals de L1 kon afschieten.
Uiteindelijk kan ik maar een ding over dit soort reusachtige kanonnen zeggen: wat een (voor die tijd) hoogtechnologische vernietigingsdrang.


Toen ik uitgekeken was, verliet ik het museum en wandelde de Maliebaan op. Daar, op nummer 35 staat een heel onschuldig ogend bakstenen pand met twee balkons. Maar het heeft een sinistere voorgeschiedenis: tijdens de Tweede Wereldoorlog zat daar het hoofdkwartier van de NSB. In het geel-wit gepleisterde pand ernaast zat de propaganda-afdeling van de NSB. Beide panden ziet u op foto 8. Verderop aan de Maliebaan hadden ook de Duitse bezetters verschillende hoofdkwartieren en kantoren. Daarom stond de Maliebaan tijdens de bezetting ook wel bekend als de Unter den Linden. De NSB hield daar graag parades, terwijl de partijleiding vanaf dat ene lagere balkon toekeek.
Op de middenberm van de Maliebaan stonden in 2013 borden met foto's. Het was een fototentoonstelling over oorlog en vrede in het algemeen in heden en verleden. Dat had natuurlijk te maken met de herdenking van de Vrede van 1713.


Hierna wandelde ik weer terug richting Centraal Station. Maar in de binnenstad passeerde ik het archief. De ingang van het archief ziet u op foto 9. Links ervan ziet u nog net een klein stukje van het terras van het restaurant "de rechtbank". Ik zag dat het half 5 was en besloot nog even naar binnen te wippen voor de tentoonstelling in het Utrechts Archief. Dat ging natuurlijk over het vredesverdrag dat in 1713 was gesloten. De titel van de tentoonstelling luidde: Hoge pruiken, plat vermaak. Al die diplomaten van de verschillende landen die naar Utrecht waren gekomen om te onderhandelen over vrede, vermaakten zich in de avond-uren op andere wijze, meestal horizontaal. Dat werd ook getoond op de tentoonstelling met een papieren vrouwenpop die haar rokken optilde. Dat leidde bij een paar buitenlandse studentes tot verrast gegiechel. Er was ook een vaste tentoonstelling in het Utrechts Archief, namelijk over de geschiedenis van de stad Utrecht. Maar helaas, de tijd was op en na een paar haastige blikken in de vitrines moest ik het archief verlaten.
Naast het Archiefgebouw, was het al eerder genoemde restaurant "de rechtbank" met een terras. Daar streek ik neer en bestelde een warme maaltijd. Nadat ik had gegeten en afgerekend, wandelde ik langs de Domtoren terug naar het station en nam de trein terug naar Leeuwarden, naar huis.